Rondom de Kerk

Geroepen (5) Edith Stein

Op enkele honderden meters van de Kathedraal van Keulen bevind zich herdenkingsmonument voor Edith Stein of beter Zr. Teresia Benedicta van het Kruis.

Een bijzondere heilige binnen onze Rooms Katholieke traditie, een ‘feministe’ en filosofe die katholiek werd en intrad in de Karmel en als joodse vrouw en als dochter van haar gemartelde volk vergast werd in Auschwitz.Het door Bert Gerresheim gemaakte monument bestaat uit een drietal beelden van Edith Stein, als verbeelding van de verschillende fasen van haar leven. Daarvoor loopt een weg met daarop twee doorboorde voeten. Het zijn de voeten van de gekruisigde en verrezen Christus, die in het lijden dat mensen overkomt meelijdt en meesterft om ze dan met Hem te laten verrijzen. Deze voeten van de Christus, van de Ene die voor allen heeft geleden, voorkomen het lijden dat zich verder op de weg voltrekt niet. Ze heffen vrije wilskeuze van  mensen niet op. Het zou anders geen echte liefde zijn, maar daarmee is er ook ruimte voor de keuze voor het kwaad en waar dit in zijn uiterste consequentie toe kan leiden. Verder op de weg bevinden zich de tafelen van de Tien Geboden, de werken van de H.Teresa van Avila, het wapen van de Karmel en een grote hoeveelheid schoenen van mannen, vrouwen en kinderen. En even verderop ook nog wat koffers. De boeken van de H.Teresa en het wapen van de Karmel verwijzen naar de bekering en het intreden van Edith Stein. De tafelen, de schoenen en koffers, plaatsen haar in de tijd en  verwijzen naar het menselijk drama dat zich heeft voltrokken met de deportatie en de vernietiging van zoveel mensen. Een daad die niet anders verstaan kan worden als van God los, het verbond verbroken, de mensheid op zijn slechtst.

Het eerste beeld toont Edith Stein zittend en leunend op de Davidster. Edith wordt in oktober 1891 geboren in Breslau, in een joods gezin. Haar geboortedag viel dat jaar samen met de Grote Verzoendag, het Oud Testamentische voorbeeld van Goede Vrijdag (Jom Kippoer), het belangrijkste feest in het Jodendom. Voor zowel Edith als voor haar moeder is dit van grote symbolische betekenis. Haar vader overlijdt als ze amper twee jaar oud is, wat voor haar moeder betekent dat ze de zorg heeft voor de 7 nog in leven zijnde kinderen en de voortzetting de houthandel. Het is voor het gezin een tijd van hard werken en financiële nood. Er wordt geleefd vanuit de joodse traditie, waar de moeder van Edith Stein na de dood van haar vader met een zekere strengheid aan vasthoudt. De jong volwassen kinderen in het gezin leven het geloof met minder overtuiging. Vaak, zoals Edith zegt, werden de gebruiken onderhouden om hun moeder een plezier te doen. Het traditionele geloof, dat haar moeder voorleeft, zal Edith Stein in haar puberteit verlaten, ze stopt om vanaf de jaren ’20 in het christendom de diepgang van het jodendom te herontdekken.

Het tweede beeld laat ons Edith Stein zien als de begaafde studente steeds zoekend naar de waarheid. Een scheur doortrekt haar hele hoofd, alsof de kunstenaar wil zeggen dat deze zoektocht naar waarheid een mens verscheurd. Edith is er van overtuigd dat ze in de filosofie een antwoord op zal vinden op de vraag naar de waarheid. Het brengt haar naar Göttingen waar Edmund Husserl is gestart met een heel nieuwe richting in de wijsbegeerte: de fenomenologie. Ze werkt lang met hem samen maar zet deze samenwerking uiteindelijk stop vanwege zijn wetenschappelijke inzichten en zijn visie op de positie van de vrouw in de wetenschap. Al vanaf het gymnasium is Edith betrokken bij de vrouwenbeweging. Wat haar daarin bezighoudt is de vraag naar de ‘dubbele baan’, huwelijk en moederschap naast wetenschap en carrière. In Göttingen vat ze ook grote bewondering op voor de filosoof Max Scheler, voor Edith laat hij zien dat je intelligent èn katholiek kunt zijn. Een eerste aanraking met een voor haar onbekende wereld. Ze komt, naar eigen zeggen, nog niet tot een systematische bestudering van geloofsvragen omdat ze nog te zeer bezet is met andere zaken. Maar de kiem is gezaaid. ‘Ik’, zegt Edith, ‘stelde mij ermee tevreden de indrukken uit mijn omgeving zonder er weerstand aan te bieden in mij op te nemen en werd daardoor – bijna onmerkbaar – langzaam omgevormd.’

Het derde beeld laat ons Edth Stein zien als zuster Teresia Benedicta a Cruce (de door het kruis gezegende). In haar handen heeft zij een crucifix met een onmiskenbaar lijdende Christus. De eenheid in haar wezen vindt Edith uiteindelijk, wanneer ze God vindt. Later zou ze zeggen: ‘Wie de waarheid zoekt, zoekt God, of je je dit bewust bent of niet’. Bij Edith gaat dit niet zonder slag of stoot, het is een psychologisch-filosofische strijd waar ze doorheen moet om het geloof uiteindelijk als geschenk te kunnen aanvaarden. In een brief aan Roman Ingarden, een collega filosofe met wie ze een diepgaande en ook vriendschappelijke briefwisseling onderhoudt, schrijft Edith: ‘Ik heb mij min of meer naar een positief Christendom toegewend. Dit heeft mij uit het leven bevrijd dat mij terneer gedrukt had en het geeft mij kracht om het leven opnieuw en dankbaar te beginnen.’ Over haar uiteindelijke bekering doen de nodige verhalen de ronde. Zo schrijft haar novicemeesteres Renate Posselt, dat Edith Stein het leven (vita) van Teresa van Avila in een zomernacht zou hebben uitgelezen. Nu kennen we het leestempo van Edith Stein niet maar voor wie het boek kent weet dat het zelfs voor een briljante geest als Edith Stein, onmogelijk moet zijn geweest om het in een nacht uit te lezen. Toch maakt juist de situering in een nacht duidelijk dat het hier om een soort van Damascuservaring moet gaan, een bliksemslag bij heldere hemel. Het drukt niet alleen uit wat de relevantie van dit boek is voor het bekeringsproces van Edith Stein maar geeft ons ook overdrachtelijk gezien een doorkijkje in de eerder beschreven strijd die Edith doormaakt. Ze gaat als het ware door de nacht van duisternis, haar zoeken naar de waarheid, naar het aanbreken van de dag, naar het Licht dat Christus is. Van de nacht van de ziel zoals de Karmeliet Jan van het Kruis dit noemt naar de morgen van de Verrezen Christus. Zelf zegt ze hierover: ‘Sinds in de zomer van 1921 het ‘leven van onze Heilige moeder Teresa’(Avila) mij in handen viel, was er een einde gekomen aan mijn lange zoeken naar het ware geloof.’ Opvallend is dat Edith Stein hier niet langer spreekt van de waarheid maar het ware geloof. De heilige paus Johannes Paulus II, duidt dit tijdens haar zaligverklaring als volgt: ‘In die nacht vond zij de waarheid; niet de waarheid van de filosofie, maar de waarheid in de persoon, de liefhebbende jij van God. Edith Stein was op zoek naar de waarheid en vond God. Zonder lang te wachten, vroeg zij om het doopsel en opgenomen te mogen worden in de Katholieke Kerk.’ Het kruis dat Edith bij dit derde beeld in handen heeft verwijst niet alleen naar haar eigen grote lijden ten gevolge van de Joden vervolging, dat op handen is en waarin niet alleen Christus lijdt in haar maar zij ook in Hem. Ze ervaart de betekenis en de kracht van het kruis als een collega en studievriend plotseling overlijdt en zijn weduwe niet vervalt in geloofstwijfel maar in het Kruis van Christus kracht en troost vond. Later schrijft Edith Stein over deze tijd: ‘Het was mijn eerste ontmoeting met het Kruis en de kracht die God geeft aan diegenen die Hem meedragen….Op dit ogenblik verdween mijn ongeloof en Christus toonde zich glorievol: Christus in het mysterie van het Kruis.’ Maar het kruis kent ook nog een andere zijde. De doop en opname van Edith Stein in de Rooms Katholieke kerk is niet louter een weg van vreugde. Haar keuze voor het Christendom levert haar een verstoorde houding met haar moeder op die haar weg niet begrijpt en maar met moeite kan respecteren. Omwille van haar moeder stelt ze haar verlangen, om aan de roepstem van Jezus gehoor te geven en in te treden bij de zusters van de ongeschoeide Karmel, voor onbepaalde tijd uit.

Over deze periode zegt de H. Johannes Paulus II: ‘Ondanks dat, na de ontmoeting met de geschriften van de H. Teresa van Avila, de Karmel de richtlijn van Edith Stein was geworden, moest zij meer dan 10 jaar wachten tot Christus haar toonde, in gebed, de weg naar de intrede in de Karmel. In haar beroep als mestra en onderwijzeres, in haar werk op school en in haar vormingstaak, grotendeels ontwikkeld in Speyer en later ook in Münster, bleef zij werken om “kennis en geloof” te verenigen. In deze taak wilde zij slechts instrument van de Heer zijn.  Dan al als religieuze, deed ze in afzondering de drie geloften en werd een groot en geïnspireerde vrouw van het gebed.’ Op 14 oktober wordt Edith Stein officieel postulante in de Karmel van Köln-Lindenthal. Op het gedachtenisprentje van haar eeuwige geloften, schrijf zij naar H. Jan van het Kruis ” Mijn enige roeping van nu af aan is, nog meer beminnen.’ Op 15 juli 1942 komt die liefde tot voltooiing, als ze door ter dood te zijn gebracht Jezus mag ontmoeten, van aangezicht tot aangezicht.

 

 

 

 

 

Geplaatst in: Artikelen, Roepingen
woensdag, 28 maart 2018 28-3-2018
Bekijk ook onze andere adverteerders.